Wie valt nog voor de verslaving

Dinsdag, 9 augustus 2011

Drugs zijn gevaarlijk, maar of je werkelijk verslaafd raakt, is van véél meer afhankelijk dan de nicotine, alcohol, heroïne of amfetamine alleen. Het is een kwestie van genen, aanbod en de sociale omstandigheden.

Nederlandse jongeren behoren tot de gelukkigste ter wereld. Ze genieten van de vrijheid die de Nederlandse samenleving biedt, komen niks tekort en hebben over hun ouders ook al niks te klagen. Tegelijkertijd zuipen Nederlandse jongeren als geen ander; niet alleen qua geluk, ook wat drankmisbruik betreft staan ze internationaal bovenaan. Ze zuipen dus niet om hun ellende te vergeten. En de drank zélf de schuld geven heeft ook geen zin, want vrijwel alle Europese jongeren hebben in dezelfde mate toegang tot drank, en zouden dan ook in gelijk mate aan de drank verslingerd moeten raken. Waarom zuipen Nederlandse jongeren dan zo veel? Simpelweg omdat drank erbij hoort, omdat het overal verkrijgbaar is én omdat ze het kunnen betalen. Gelukkig zijn al die jonge zuipers niet gedoemd om aan de drank verslaafd te raken. Voor een verslaving is méér nodig – al is misbruik wel een eerste stap.

Alle verslavingen zijn in wezen hetzelfde. Dat wil zeggen, al die verschillende stoffen (nicotine, alcohol, heroïne, amfetamine) lijken chemisch helemaal niet op elkaar, en worden op totaal verschillende manieren geconsumeerd. Maar ze hebben in wezen hetzelfde effect. Ze bezorgen de gebruiker een kick, en die kick smaakt naar méér. En ook als het om afkicken gaat, zijn alle verslavingen even hardnekkig. Heroïne is wat dat betreft niet erger dan drank, of de sigaret. Verslavingswetenschappers doen voornamelijk onderzoek naar drankverslaving, maar ze gebruiken hun resultaten dan ook zonder al te veel aarzelen om andere verslavingen te begrijpen.

Maar hoe raak je verslaafd? Decennialang overheerste het idee dat er een wereld van verschil zou bestaan tussen roken en drinken enerzijds, en ‘echte’ drugs anderzijds. De eerste waren redelijk onschuldig en mild; die andere waren agressief en dodelijk, en dienden bestreden te worden. Eén keer heroïne of coke gebruiken was, zo luidde de waarschuwing, voldoende om een leven overhoop te gooien. De ‘War on drugs’ die uit deze visie volgt, kost niet alleen miljarden, ze is ook zinloos (de drugsimporten stijgen alleen maar) en ze negeert de kern van het probleem: de gebruiker. Ergens aan verslaafd raken, of het nu drank is of coke of xtc, is een kwestie van genetische aanleg, van het aanbod en van de sociale omstandigheden.

Genen

Het zijn de genen, roepen we tegenwoordig bij elke karakterfout. De schuld van onze ouders. En als het om drankverslaving gaat, is dat zowaar voor een niet onbelangrijk deel waar. De invloed van de ‘verslavende genen’ op het al dan niet ontstaan van een verslaving wordt op zo’n 50 procent geschat. Het onderzoek naar wélke genen dat precies zijn en hoe ze werken, staat nog in de kinderschoenen maar het lijkt te gaan om een combinatie van genen.

Heel gevaarlijk zijn genen die ervoor zorgen dat het geluksgevoel veroorzaakt door een drug op de korte termijn (psychologen noemen dat de ‘kickreactie’, die gekenmerkt wordt door een hogere hartslag en het vrijkomen van endorfines), veel sterker is dan normaal, waardoor drank en drugs veel meer indruk maken – althans in eerste instantie. Want de kick wordt gaande het drugsgebruik steeds minder. Het brein streeft naar evenwicht, en wapent zich tegen die verstoring van buiten door het aantal dopaminereceptoren terug te schroeven. Die neurotransmitter dopamine staat garant voor plezier, en minder receptoren betekenen dus minder kicks. In een beroemde studie toonde Nora Volkow van het National Institute on Drug Abuse aan dat chimpansees die verslaafd zijn aan drank of drugs veel minder van die receptoren hebben dan niet-gebruikers. Dat kleinere aantal is waarschijnlijk een gevolg van het drugsgebruik want het aantal daalde nóg verder naarmate de chimps langer verslaafd waren. Dat betekent dat die chimps (en andere verslaafden) steeds meer drugs nodig hebben om dezelfde kick te ervaren.

Daarnaast zijn er bij een verslaving ook genen betrokken die de afbraak van een drug versnellen. Dat klinkt paradoxaal: dat zou immers betekenen dat verslaafden minder of korter genieten van de kickreactie. Maar dat vermogen om alcohol snel af te breken, blijkt cruciaal voor een verslaving. De Amerikaanse psycholoog Mark Schukit, die onderzoek deed naar het drinkgedrag van kinderen van alcoholisten, ontdekte dat die kinderen veel beter tegen alcohol konden (dankzij de vaderlijke genen), en daardoor uiteindelijk (hij zocht ze na acht jaar weer op) ook grotere kans liepen om verslaafd te raken. Kinderen van alcoholisten die slecht tegen drank konden, liepen dat risico veel minder (pure imitatie speelt dus een beperkte rol), en omgekeerd: Schukit zag dat kinderen die géén alcoholische vader hadden maar toch goed tegen drank kunnen, ook een verhoogd risico hebben aan de drank verslaafd te raken.

Alcohol drinkende jongere

Maar het grootste risico lopen jongeren die de combinatie van foute genen bezitten: jongeren die een sterkere kick ervaren maar na enige tijd juist weer wat nuchterder zijn – waardoor ze zich als eerste een beetje down gaan voelen te midden van anderen die nog volop lijken te genieten, Daardoor ontstaat bij hen het verlangen om de kick opnieuw op te zoeken en opnieuw te drinken, te roken of te spuiten. En zo betreden ze een vicieuze cirkel.

Voor de bijl

Ongeveer een op de tien mensen draagt deze gevaarlijke combinatie met zich mee, en zij lopen het grootste risico voor de bijl te gaan. De rest drinkt of slikt gezellig mee, of vindt het gewoon vies. Vrijwel iedereen krijgt in zijn jonge jaren minimaal één keer de kans om alcohol te proeven, zijn eerste pretsigaret te proberen of coke te snuiven. Drank is overal verkrijgbaar, goedkoop en ‘gezellig’, met als gevolg dat uiteindelijk de ruime meerderheid der volwassenen na die eerste kennismaking blijft drinken. Dat zijn voor het overgrote deel recreatieve drinkers, slechts een paar procent is genetisch gedoemd ‘probleemdrinker’ te worden.

Verboden ervaringen

Andere drugs zijn veel moeilijker verkrijgbaar en maatschappelijk veel minder geaccepteerd, zodat men na die eerste keer moeite moet doen om ze te pakken te krijgen. Vandaar dat slechts een paar procent van de bevolking regelmatig andere drugs gebruikt – en dat zijn dan ook gelijk voor het grootste deel degenen die na een of twee keer gebruiken niet meer zonder konden: alweer grotendeels de genetisch gedoemde ‘probleemgebruikers’. Wanneer een drug steeds in de loop der jaren meer geaccepteerd raakt (denk aan wiet of coke), dan komen er niet veel probleemgebruikers bij (die wisten het spul allang te vinden); het is juist de groep van de recreatieve gebruikers die gaat groeien. Maar ook dat is niet zonder risico.

Hoe zit het met die andere 50 procent? Wie is dáárvoor verantwoordelijk? Eén ding is zeker: die ‘verslavende genen’ van de ouders hebben géén invloed op het tijdstip waarop iemand begint met drugs of drank, met andere woorden óf iemand aan drugs begint. Wanneer dat gebeurt, en of die eventueel aanwezige verslavende genen hun funeste invloed ook inderdaad zúllen gaan uitoefenen, is van andere factoren afhankelijk.

Psychologische bijvoorbeeld. Zo zijn er mensen met een (meestal genetische bepaalde) constante behoefte aan spannende, liefst verboden ervaringen. Zij lopen een veel grotere kans om een paar keer toe te happen en een regelmatige gebruiker te worden – en als ze over die verkeerde genen beschikken, een verslaafde.

Dan zijn er mensen met een (milde) angststoornis, of met lichte depressiviteit. Zij vinden vaak enige verlichting bij drugs en worden daardoor ook sneller gebruiker, Van deze groep is bekend dat ze een drie keer zo grote kans lopen verslaafd te raken. En dan heb je mensen die impulsiever zijn dan anderen; denk aan mensen met ADHD. Ook zij zullen eerder vallen voor nieuwe verleiding (en ze hebben, omdat ze zichzelf niet goed onder controle hebben, later extra veel moeite om af te kicken).

De gecombineerde invloed van al deze milde (tot zware) psychische klachten op die eerste stappen richting verslaving is waarschijnlijk erg groot: onderzoek laat zien dat 60 procent van de verslaafden een of andere psychiatrische stoornis heeft. Maar welk besluit we ‘de eerste keer’ nemen wordt ook in grote mate bepaald door onze sociale omgeving. De niet-gebruiker weet van niks, vindt het ‘eng’, verwacht (terecht) dat hij of zij het vies zal vinden, maar wil in ieder geval geen spelbreker zijn, geen loser.

Vertrouwde kick

Op zo’n moment bepaalt vooral de omgeving, onze familie of vrienden en in meer brede zin de samenleving (in wat ze normaal vindt, en aanbiedt) of we aan drank, sigaretten of drugs beginnen. Pas daarna duwen die gevaarlijke genen enkelen zachtjes maar consequent in een bepaalde richting: die van verslaving.

Maar het kan helaas ook zonder. Die genen doen niet meer dan een proces vergemakkelijken dat ieder van ons kan overkomen. Iedereen die regelmatig drugs gebruikt en zo zijn hersenen op hol jaagt, al was het maar voor de gezelligheid, zorgt er immers voor dat zijn brein dopaminereceptoren sloopt, waardoor hij of zij niet alleen minder kan genieten van andere zaken dan drank en drugs, maar ook steeds meer drugs nodig heeft om die vertrouwde kick te voelen. Volkow zag dat bij haar chimps gebeuren: apen die géén genetische aanleg hadden om verslaafd te raken, raakten na langdurig gebruik uiteindelijk tóch verslaafd. Eén reden voor dat voortgaande gebruik sprong in het oog: sociale stress. Chimps die laag op de sociale ladder stonden en veel slaag en vernederingen moesten verdragen (en daarbij gemakkelijk aan drank of coke konden komen) werden ook zonder enige genetische aanleg full blown addicts.

Daaruit zijn wijze lessen te trekken: als de overheid iets wil doen tegen drugsgebruik, moet ze veel meer aandacht besteden aan de genetische en psychologische factoren. Ze moet ellende bestrijden, ervoor zorgen dat gebruik helemaal niet ‘gezellig’ is én het aanbod reguleren. (Drugs de oorlog verklaren, proberen ze uit te bannen, is zinloos, zo niet contraproductief.)

En nog een lesje tot slot: met het grootste deel van onze zuipende jeugd komt het wel goed. Maar er is ook een minderheid die generisch zwak staat, en die grote kans loopt verslaafd te raken. En een ander deel leert, als ze in de problemen komen, naar de fles te grijpen. Daarvoor zullen we als samenleving later een hoge prijs betalen.

Bron: www.depers.nl

Recent Posts